Heilsofficier
Toen wij het gevoel hadden dat wij heilsofficier moesten worden vanwege onze roeping, liep het eerst uit op een teleurstelling. Wij hadden verkering en de toenmalige kandidatensecretaris vond dat ik eerst in de opleiding kon gaan en het jaar daarop Beppie. Dan, na een paar jaar officier te zijn geweest, zouden we kunnen trouwen. In de huidige tijd zou dat niet kunnen, maar wij zaten in een overgangstijd. Er waren voorheen altijd vrijgezelle officieren. Echtparen ontstonden in de loop der jaren.
De opleidingsschool was daar niet op voorbereid. Het waren kleine kamertjes en ze waren zeker niet gericht op echtparen, laat staan gezinnen. Maar die kwamen er wel en dus moest men anders gaan denken. Dat viel lang niet mee, want men had rare regels. Terwijl ik in het laatste jaar van mijn werkzaam leven vóór het officierschap leiding gaf aan verschillende mensen, voelde het alsof ik toen in de kleuterklas terechtkwam. Die omslag was er nog niet.
Ik zie dat die er nu is, maar ik vind dat die veel te laat op gang is gekomen. Je kunt wel geroepen zijn, maar het moet wel kunnen, want je levert heel veel in. Wij besloten eerst maar te trouwen en dan later weer een aanvraag te doen. Toen vonden ze dat wij te weinig opleidingen hadden gevolgd. Ik werkte in de dak- en thuislozenzorg en kreeg geen opleiding om bijvoorbeeld maatschappelijk werker te worden. Ik was op dat moment dienstweigeraar en voor mijn vervangende dienst kon ik in de psychiatrie werken. Ik liep in drie jaar tijd die opleiding en slaagde met behoorlijk hoge cijfers, want het lag mij erg goed. Iets wat je ligt, leert ook gemakkelijk.
We besloten opnieuw aanvraag te doen. Ik vroeg wel om een snel besluit, want ik dreigde werkloos te worden. In die tijd, wat je je bijna niet kunt voorstellen, werd je ontslagen als je je diploma haalde. We werden dan te duur. Wij vroegen toen om een snel besluit en dat hebben ze gedaan, mede dankzij de man die ons eerst wilde laten trouwen. Hij was toen gepensioneerd en zat in ons korps. Hij liep alle leden van de raad af en zei dat wij aangenomen moesten worden. Hij zei later dat wij oorspronkelijk waren en nieuwe dingen probeerden. Beppie had een jeugdclub aan huis opgezet en ging steeds weer iets anders uitzoeken. Dat bleven we doen en nu zien we dat dingen die wij voorheen deden, nu nog worden gedaan.
We werden aangenomen en toen heb ik in de geestelijk gehandicaptenzorg dicht bij ons huis een tussenjaar gedaan. In 1980 gingen we in opleiding in een heel andere tijd dan nu. Er waren goede dingen, maar de kweekschool zoals deze opleidingsschool was, vond ik ouderwets en een te Engels model. Gelukkig zijn ze daarmee gestopt. We kregen te weinig mee en hadden ook nog onze kinderen. Bovendien kregen we soms les in vakken die we in ons werk al lang hadden gehad. Het probleem was dat je sommige dingen beter wist dan de docent. Nu is het lesprogramma meer op maat gemaakt. Al doende leert men.