Cadet
Dan ben je in één keer verhuisd van een mooie flat in Alphen aan den Rijn naar zes kamertjes in een groot gebouw, dat eigenlijk bedoeld was voor vrijgezellen. Maar in onze tijd waren er meer echtparen en sommigen zoals wij met kinderen. We hadden een eetkamer (groot genoeg om een eettafel met vier stoelen in te plaatsen), twee doorgebroken kamertjes voor de huiskamer en drie kamertjes voor onze twee jongens en ons beiden. De overgang van flat naar hier vond ik niet eens erg, maar dat je als kleine kinderen werd behandeld, dat wel.
Er waren mensen die zeiden: ‘Die blijft niet lang officier.’ Ik dacht bij mijzelf, ik ben zo ver gekomen, dus ik ga ook niet meer weg. Die twee jaren waren voor mij best nutteloos. De meeste dingen hadden we thuis en met colleges kunnen volgen. Kunnen werken als stagecadet, zoals nu het geval is, werkt veel beter en is stukken goedkoper. In onze tijd zat men nog in die modus. Het positieve was de kerkgeschiedenistoespraken maken, dogmatiek en soms wat samen doen. De maatschappelijke vakken had ik in mijn vorige baan allang gehad en waren daar beter.
Pastoraat was erg oppervlakkig (het ging niet om echtbreuken, machtsblokken in een gemeente, incest, euthanasie, zending en evangelisatie, en zo kan ik nog wel even doorgaan). Toch liepen we in onze eerste plaats daar keihard tegenaan. Wat ik in ieder geval geleerd heb, is dat als je de zonde in je korps door laat woekeren het niet goed komt. Dat heb ik niet geleerd in de kweekschool (de naam van het grote gebouw in Amstelveen), maar in de harde praktijk. Als je ingrijpt, krijg je later te horen dat mensen dankbaar zijn voor dat ingrijpen. Op dat moment zit je ermee.
Ik ben nu positief over het nieuwe opleiden, want dat sluit meer aan bij de cadet. Sommige mensen zeggen nu dat we geen nieuwe officieren krijgen. Dat vind ik niet gek, want je zit nog met een erfenis. Ik vraag mij af of het wel bijbels is om mensen van begin twintig naar een dorp in Drenthe te sturen waar er velen kopje-onder zijn gegaan. Johannes ging pas toen hij dertig jaar was en zijn neef Jezus een halfjaar later. Toch is het lang niet gek, die missionair werkers. Hun tijd heeft namelijk een limiet en ze zijn gedwongen om te delegeren. Dat voorkomt dat een voorganger van alle markten thuis moet zijn. Wij moesten leren boekhouden, begrotingen maken, kennis van gebouwen opdoen, juridische kennis vergaren, etc. Ik had eigenlijk ook nog auto moeten leren rijden (vanwege mijn ogen kan ik dat niet). Wij hadden in Tiel een Volkswagenbus gekregen van de rotaryclub. Ik kon niet rijden, maar het onderhoud moest ik regelen. Ik had daar geen verstand van en het korps kon deze bus ook helemaal niet betalen. Maar dit vertel ik in een andere blog.