Therapie (1)
Toen ik begon in de psychiatrie als verpleegkundige waren er drie grote stromingen waar ik mee te maken kreeg. Elke stroming was bijna een geloof. Zij wisten het en zij gaven de goede weg. Ik moet helaas bekennen dat ik die weg niet zag. Diagnose stellen kon men goed, maar genezen was iets heel anders. Ik zag veel meer aanpassingen (medicijnen en reeksen therapieën, zoals arbeids-, muziek- en bezigheidstherapie).
Ik kreeg toen te maken met Sigmund Freud. Je had de bekende rode bank en daarachter zat de psychiater. Dan kon de patiënt praten over zijn diepste gevoelens (door vrije associatie). Het hielp om mensen over zichzelf te laten praten, maar je moest wel een zekere intelligentie hebben. Ik sprak een keer een man die homoseksueel was. Hij zat ermee en kwam bij de psychiater. Die had wel een therapie voor hem. Deze man kwam in een rode kamer en ging in een lekkere fauteuil zitten. Daar kreeg hij seksfilmpjes van hetero’s te zien en moest dan vertellen wat hij voelde. Hij voelde niets en de therapie met al zijn vrije associatie was mislukt. Toch heeft die psychoanalyse meer inzicht gegeven in de psychische gesteldheid van de mens, dus er was winst.
De tweede therapie die mocht meehelpen, was succesvoller en gebaseerd op gedragstherapie. Het was het behaviorisme en begon met de hond van Pavlov. Door een hond steeds meer te belonen krijg je een gedrag dat je wilt. Wij hadden een therapie met token. Token waren kleine muntjes die je kreeg als je iets had gedaan. Aan een aantal van die token zat een beloning vast, die de patiënt graag wilde hebben (bijvoorbeeld een bepaald uitje). Ik werkte toen bij geestelijk beperkte bewoners. Daar werkte het soms bij, en soms ook niet.
De meest vervelende vorm van therapie vond ik de therapie van Carl Rogers. Het leek een open gesprek, maar dat was het niet. Je kreeg irritante vragen, zoals: ‘Wat doet het met je?’ en ‘Voelt dat goed?’. Soms werkte het stellen van zulke vragen averechts en ik heb mensen heel agressief zien vertrekken.
Al deze werkwijzen hadden als gemene deler dat de therapeut buitenspel blijft. Het is dus erg afstandelijk. De vraag is of dat goed is. Het begrip empathie hoef je niet te hebben om deze therapie toe te passen. Je stelt de vragen, rapporteert alles, stelt een diagnose en gaat naar de volgende sessie. Mijn beste gesprekken waren gesprekken die wederzijds emoties voortbrachten. Ik heb wat afgelachen en ook gehuild, maar dat hielp vaak beter. Ik kende toen psychiaters die goede pillendokters waren, maar dat is het wel. Gelukkig is er nu meer aandacht voor deze zaken in de opleiding.