Delft (2)
In Delft hadden we bijzondere personen. Ik was een keer in een vergadering in Zoetermeer toen ik gebeld werd. De politie in Delft had een man aangehouden met een fiets en een kapotte fiets. Deze kapotte fiets wilde hij laten repareren bij een fietsenproject. Deze fiets was bij ons binnengekomen en een van onze medewerkers met weinig geld had geen fiets meer. De reparatie kostte vijftien euro, dus hij ging met de fiets naar dit project. Hij had echter een verleden met veel fietsdiefstallen en werd dus opgepakt. Hij sprong in het rond en vertelde zijn verhaal. De politieagenten geloofden hem niet, dus hij zei, bel de majoor maar op. Ik bevestigde zijn verhaal en hij riep, zie je nu wel.
We hadden ook een klusjesman die van alles kon en die zeer creatief was. Hij werd algemeen gewaardeerd en zijn huis was een grote werkplaats. Hij had nogal wat spullen, dus toen hij overleed hebben zijn dochter en schoonzoon er heel wat werk aan gehad.
Ons korpsgebouw was eerst een gereformeerde kerk. Het was echter veel te groot voor het aantal mensen van ons korps. De verwarming alleen al kostte een vermogen, ondanks dat een van onze voorgangers het zuinig via de computer had ingesteld. Het was gewoon niet op te brengen. Er was een noodopvang in het gebouw en de officieren hadden een ruim huis. Er was een ruim kantoor, een kledingwinkel en een mooie open keuken.
Toen wij kwamen, was alles al verkocht en waren de mensen aan het wachten op het sluiten van het korps. Wij moesten proberen om werk te behouden voor het Leger. Het voorste gedeelte, de officierenwoning, was leeg, want wij woonden in Den Haag. Toen men het kocht, dacht men aan maatschappelijk werk, zoals een kledingwinkel, een raad-en-daadbalie en een noodopvang. Dat liep anders, want de binnenstad met de looprichting werd veranderd. Er kwam bijna niemand meer langs de korpszaal of hij/zij moest daar toevallig zijn. De noodopvang was niet toepasbaar, want je had geen vrijwilligers, en je kunt als officier niet bij die opvang gaan slapen. De afstand naar het huis was veel te groot, dus het was onpraktisch en veel te gevaarlijk, en dat betekende ook leegstand.
De korpszaal was veel te groot voor de samenkomst en eigenlijk alleen voor de kerstdagen goed. De winkel leverde veel te weinig op. We hebben de winkel toen verhuisd naar de binnenstad, wat geweldig liep, mede door de inzet van de heilssoldaten, maar dit was weer een stuk van het gebouw af. We konden een klein gebouw aan de overkant huren en hielden daar ’s middags een samenkomst. Dat liep goed, maar de sluiting van het korps ging door. De korpsbevolking ging overal naartoe. De helft ging naar de Haaglanden, maar iemand uit Delft is geen Hagenees. Ik heb altijd het gevoel gehad dat wij daar te laat gekomen zijn. Ik hoop dat er in de toekomst opnieuw in Delft begonnen wordt, want er is voedingsbodem genoeg.