Verwarming (2)
Vroeger had je mooie dingen en af en toe zie je het nog wel eens terug. Zoals mooie schermen voor de kachel; die van ons waren erg mooi beschilderd, de warmte werd dan naar voren geleid en dat was beter voor de verwarming. Het was ook een prima plaats om de was op te hangen, want het was zo droog. De kolenboer bracht eerst de kolen in het najaar, maar dat was niet goedkoop.
Toen ik wat ouder was, mocht ik met de kar die mijn vader gebruikte naar de boerenbond. Op woensdagmiddag natuurlijk, want dan was je vrij. Ik ging dus met die lege kar naar de boerenbond, dat was nog voorbij onze school. Mijn moeder nam de fiets en betaalde dan, en ik nam alles mee naar huis in de kar. Dat was niet zo moeilijk. Een lege kar was zwaarder, want als je alles meer naar achteren laadde, was de kar lichter. Thuis kon je weer uitladen en achteraf zag ik er dan uit als een kolenboer. Thuis heb ik nooit turf gezien, maar wel bij de boerenbond.
Niet wetend dat ik nu in het turfgebied zou wonen en je alle dingen nog zou zien in dit gebied. Museums en ook straten die namen hebben, die met de turfwinning te maken hebben. Het was geen prettig werk voor man en vrouw. De vrouwen trokken de volle schepen via de wijken (zijkanalen) naar het hoofdkanaal. Dat is geen licht werk met al dat vocht. Er is genoeg geschreven over de uitbuiting en vechtpartijen in het veen. Stakingen en veenbranden waren er veel. Toch waren er ook goede tijden, zoals in de Eerste Wereldoorlog, toen men veel turf kwijt kon. Een beetje wrang dat deze mensenslachting welvaart bracht in de veenkoloniën.
Ik sprak een man die in Ridderkerk woonde en in Valthermond bij het Leger des Heils kwam. Hij was naar het westen getrokken voor werk in de kabelfabriek. Als veertienjarige jongen mocht hij naar het turfveld. Hij was de beul. Hij kreeg dan een groot mes en mocht elke keer als er turf uit de machine kwam een slag geven, zodat het een soort broodjes werden. Die broodjes werden vervolgens op het zetveld gezet om te drogen en om afgevoerd te worden in die turfschepen. Hij vertelde dat hij altijd smerig was en om acht uur doodop naar bed ging. ’s Morgens moest hij weer opnieuw en was nog moe van de dag ervoor. Hij was snel weg en dacht, alles beter dan dit, en hij vertrok naar het westen.
Onze slaapkamer was vroeger niet verwarmd en als je ’s nachts op het koude zeil stond, moest je gelijk naar de wc. Wij hadden veel dekens op ons bed. Op een nacht sliep ik op zolder en het sneeuwde. Ik werd wakker en het zolderraam lag op mijn bed met de sneeuw erbij. Het gewicht van de sneeuw was te veel geweest. Het was toen enorm koud, want de wind waaide door het gat en mijn dekens waren nat.