Kabouters (2)
De kabouters staan weer in de tuin. Netjes schoongemaakt en ze kunnen er weer tegenaan tot in het najaar. Ik zag mijn Beppie dit klusje doen en dacht aan Douwe Dabbert. Deze kabouter heeft inmiddels zijn tekenaar Piet Wijn overleefd, want die kreeg een hersenbloeding en heeft nog even met zijn goede kant getekend, maar toen was het wel over. Douwe Dabbert stond vroeger achter op de Donald Duck en ik las deze strip altijd als eerst. Hij had een toverknapzak en haalde daar altijd het juiste uit voor het avontuur. Dat vond ik het aantrekkelijke aan hem: altijd op tijd om het kwade af te straffen.
Piet Wijn tekende een beetje als Anton Pieck. Het was allemaal een beetje sprookjesachtig en romantisch. Een neef van Beppie uit de Verenigde Staten is een groot liefhebber van Anton Pieck, van wie nogal wat is verschenen. Die man heeft een enorm oeuvre neergezet. Hij heeft ook nog iets nagelaten, en dat is het Sprookjesbos en Holle Bolle Gijs (‘papier hier’) in de Efteling. De speciale achtbanen, zoals de Python, zijn niet aan mij besteed, maar het Sprookjesbos vind ik geweldig, want daar kun je in dromen.
Sprookjes zijn ook eigenlijk niet voor kleine kinderen gemaakt, maar voor volwassenen, want zij hebben een sterk moraal. Piet Wijn was daar erg goed in, want ook het verhaal van Puk en Poppedijn dat in christelijke bladen verscheen, was erg lief. In Den Helder kregen wij een man binnen uit evangelische kringen en die vond kabouters maar niks, want het was zondig. Zelf kwam hij naar ons, omdat zijn vrouw niet verder met hem wilde vanwege zijn standpunten. Het is niet zo erg als je ergens iets van vindt, maar ga dat niet opdringen en/of afkeuren.
Er was een keer een mevrouw voor het eerst in de samenkomst en haar zoontje had een boekje bij zich van David de Kabouter. U voelt het al, die vrouw is nooit meer teruggekomen. Natuurlijk weet je dat het verhaaltjes zijn en de Bijbel is daar niet mee te vergelijken, want de gelijkenissen zijn anders gericht dan de sprookjes. Ik heb die vergelijking nooit gemaakt, maar anderen wisten dat wel te vertellen. Ik zie het als een gebrek aan theologische kennis, want dan zou je wel iets anders zeggen.
Ik heb een baard en dat lokte bij tieners een paar jaar geleden de uitroep: ‘Daar gaat Kabouter Plop!’ Dat vonden ze lollig. Kleuters daarentegen zien dit anders. Zij kijken met stille aanbidding naar mij en kruipen bij hun moeder weg, want daar staat Kabouter Plop. Prachtig toch?